Ranciere6: kunst en arbeid

Ranciere gaat uit van het begrip ‘het weefsel van zintuiglijk waarneembare’. Sterk vereenvoudigd spreekt hij hier over het dagelijks leven om ons heen en wat we zelf zijn en doen. Dit doen is een activiteit. Het delen van het zintuigelijk waarneembare, waarover hij spreekt, betekend enerzijds dat we over het ethos spreken, over hoe we de dingen waarnemen, een soort van kwalitatieve uitdrukking. Tegelijkertijd betekend dit dat er een hiërarchische verdeling ontstaat. Immers Arbeid leidt tot concurrentie, leidt tot discussie (Ranciere spreekt van disagreement), leidt tot een onderlinge verdeling.
Ranciere haalt Plato aan om hier verder op in te gaan. Plato maakt namelijk een duidelijk scheiding tussen de taken (3) die nodig zijn en de mensen die deze uitvoeren. Hierdoor kan er eigenlijk geen concurrentie ontstaan want iedereen doet wat hij moet doen. De arbeider kan en mag niets anders doen dan arbeid verrichten. Dit hebben we afgesproken en is hierdoor een cultuur gevormde limiet. Hiërarchische gevoelens zijn er niet aangezien er ook geen dynamiek is in de samenstelling van de staat (bevolking). De staat, polis, is er alles aangelegen een stabiele omgeving te behouden. Dit gaat goed totdat er iemand op staat en iets gaat doen dat hij niet behoord te doen. De nabootser bij Plato (dit kunnen we lezen als een kunstenaar) zaait verwarring in de deling van het zintuiglijk waarneembare. Hij probeert bewust de stabiele situatie te verstoren door twee dingen te doen. En volgens Plato doen we allemaal maar een ding! De kunstenaar
– is ambachtelijk bezig (en is het dus arbeid)
– schets een gewenste situatie en/of geeft een weergave van kritiek

Volgens Ranciere is dit democratie. Democratie komt altijd van onderaf en wenst een betere wereld. Wat dit ook volgens de kunstenaar mag zijn. Democratie is niet dat de zittende klasse lijstjes voorlegt met zittende namen waar het volk een stem op uit mag brengen.
Volgens het Representatie Regime van de Kunsten is kunst niet langer een leugen (zoals bij Plato) maar het is gepast of ongepast (bijv. t.o.v. ruimte en tijd). Via Schiller’s Romantiek bevestigd Ranciere dat kunst weer het symbool is geworden van arbeid. Ze loopt namelijk vooruit op de doelstellingen (opheffen van tegenstellingen) die de arbeid nog niet uit en voor zichzelf kan verwezenlijken.
Zoals Ranciere eerder pleitte tegen een uitzonderingspositie van de kunsten, pleit hij hier ook voor kunst als  arbeid. Als een van de activiteiten die moeten worden uitgevoerd. Echter, binnen die activiteiten kan de kunst dan juist wel een exclusieve arbeid worden. In deze positie kan (moet) zij aan de basis staan van een nieuwe representatie en een nieuwe configuratie van het delen van die activiteiten. Ofwel, een herverdeling binnen de bestaande polis.

En zo denk ik na deze laatste Ranciere bespreking weer aan de eerste keer waar we een video van de Egyptische februari 2011 revolutie bekeken. Opzoek naar een nieuwe verdeling … … om er zelfs je leven voor te geven.

[met dank aan Leonhard de Paepe voor zijn begrijpelijke en soms extreem dagelijkse voorbeelden om Ranciere behapbaar te bespreken]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s